Herdenking 2014

Toespraak dhr. Will Rutten 3 Mei 2014

Op deze plaats, in de oorlog een plek van moed en moord, wil ik met U stilstaan bij de mensen die hier zijn omgekomen.

Zolang de mensheid bestaat zijn er altijd onderdrukkers geweest, mensen die onderdrukt werden, meelopers met de onderdrukkers, mensen die de andere kant opkeken en mensen die zich verzetten

Dat verzet is in oorlogstijd of bij een dictatuur altijd levensgevaarlijk. In het algemeen zocht je dat niet op. Er waren wel mensen die hun normen en waarden, zoals een groot rechtvaardigheidsgevoel en hulp aan medemensen vasthielden zelfs onder extreme druk. Zij toonden op het juiste moment daadkracht, met gevaar voor eigen leven. Met een bewust of onbewust vertrouwen dat dit het juiste was om te doen. Daar is moed voor nodig, dat zijn helden.

Uit eigen waarneming weet ik dat onze houding in Nederland pas omsloeg toen de Jodenvervolging in februari 1941 begon.  Mensen moesten onderduiken en verborgen worden.

Niet alleen Joden maar ook weigeraars voor Arbeidsdienst in Duitsland en mensen die gezocht werden of die, op uitdrukkelijk bevel, weigerden om met de bezetter mee te werken.

Het verbergen van deze mensen houdt meer in. Immers zij moesten ook eten, er waren dus bonkaarten nodig die door anderen vervalst werden of die buitgemaakt werden bij een overval op een distributiekantoor. Voor vervoer van deze mensen waren ook vervalste persoonsbewijzen nodig.

Zo ontstond in de oorlog de LO, de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers, waarin al deze activiteiten waren ondergebracht. Daarnaast bestonden andere organisaties die sabotage pleegden of inlichtingen verzamelden.

Het grote altijd aanwezige gevaar voor alle mensen was het verraad. Dat was niet altijd bewust verraad, maar vaak doorslaan bij heftige ondervragingen. Het was niet voor niets dat men zo weinig mogelijk mocht weten.

Hier op dit Fort zijn 140 mensen omgebracht. Niet alleen uit het verzet maar in het begin ook vanwege represailles.

Rauter, de landelijke bevelhebber van de SD en de SS had verordonneerd dat bij een aanslag op Duitse militairen, afhankelijk van de rang, een aantal Nederlanders moest worden gefusilleerd.

Tot 1943 werden dan lukraak mensen van de straat geplukt. Omdat hierdoor de anti-Duitse houding zeer werd versterkt bepaalde Rauter dat dit niet meer mocht, maar dat gearresteerde verzetsmensen als Todeskandidaten moesten worden beschouwd

Wanneer we inzoomen op zo maar een paar namen krijgen we een intiemer menselijk beeld.

De heer Benschop

Hij had voor de oorlog een schildersbedrijf. Een van zijn leveranciers was een destijds uit Duitsland gevluchte Jood.

Toen voor hem de grond onder de voeten te heet werd vond Benschop het een natuurlijke zaak dat hij bij hem, als onderduiker in huis kwam. Een bijkomend voordeel was dat deze Duitser bedreven was in de fraaie Duitse kalligrafie en dus moeiteloos ingezet kon worden bij de talrijke vervalsingen.

Benschop raakte steeds verder in het verzet. Hij verzorgde een wapenopslag en was ook wapeninstructeur. Dat ging goed tot februari 1945.  Door een koerierster die onder druk werd gezet is alles aan het licht gekomen. Benschop, onderweg naar een bepaald adres,  kon niet meer gewaarschuwd worden. De SD was hem helaas voor en zo werd hij op 27 februari 1945 gearresteerd.

De heer Colet

Hij was aannemer in Veen en hij had een aantal onderduikers in huis. Op een slecht moment werd het onderduiken een 17 jarige jongen te veel en hij liep weg. Om de groep te beschermen had hij eigenlijk onschadelijk gemaakt moeten worden. Colet kon dit niet over zijn hart verkrijgen en liet de jongen gaan.

Deze liep recht in de armen van een Duitse patrouille die hem onder handen namen. Het trieste resultaat was de vrijwel onmiddellijke arrestatie van vier mensen uit Veen.

Op 6 maart 1945 werd bij de Woeste Hoeve een aanslag gepleegd, waarbij toevallig Rauter zwaar gewond raakte. Als represaille moesten 263 Nederlandse mannen worden gedood.

Op dit Fort ging het om 17 mensen die op 8 maart werden doodgeschoten. Onder hen de heren Benschop, Colet en de andere drie mannen uit Veen.

Wanneer we herdenken ontkomen we niet aan een vergelijking met hun leven en ons heden.

Hoe anders is onze tijd. Op verschillende plaatsen in de wereld vindt nog verschrikkelijke strijd plaats. In onze omgeving is het rustig en over het algemeen welvarend.

Maar ook nu zijn er mensen die tussen schip en kade vallen. Helpen en delen zijn de laatste decennia onderbelicht geraakt.

Gelukkig zien we dat er net als toen nog steeds stille helpers zijn. Mensen die vanuit hun normen en waarden, als menslievendheid en gevoel voor rechtvaardigheid anderen helpen als vrijwilliger bij voedselbanken, opvang van daklozen en asielzoekers.

Daarmee mogen we vaststellen dat de geest van waaruit de slachtoffers hier hun werk deden nog steeds bestaat maar dat levensgevaar hiervoor gelukkig tot het verleden behoort.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *